Substraat anthurium potplanten

Teelttechniek

De kwaliteit van een plant valt of staat met een correcte toepassing van het juiste substraat met de juiste eigenschappen. Wie er even bij stilstaat beseft direct dat het ene substraat het andere niet is. Er komt namelijk niet alleen veel kijken bij de ontwikkeling van een samenstelling, ook het constant kunnen produceren en het op de juiste wijze leren gebruiken, zijn belangrijke aspecten bij de inzet van substraat. Voor de teelt van anthurium wordt over het algemeen gebruik gemaakt van zogenoemde luchtige substraten. Dit zijn substraten die ook bij vochtige omstandigheden veel lucht bevatten. Deze substraten zijn nu vaak samengesteld uit een hoog aandeel veenproducten aangevuld met andere grondstoffen. Het zijn substraten waar veel ervaring mee is en de nodige kennis over beschikbaar is. Substraten kunnen een verscheidenheid aan grondstoffen bevatten. Afhankelijk van de teelt en de uiteindelijke doelstellingen en wensen, wordt bepaald welke elementen en bijbehorende eigenschappen belangrijk zijn voor het te gebruiken substraat.

Belangrijke grondstoffen voor substraten zijn:

Veen Veen is onder zuurstofarme omstandigheden verteerd veenmos, ook wel sphagnum genaamd. Er zijn verschillende typen veen en ieder type heeft zijn eigen fysische eigenschappen. Veen is zuur, zuiver en bezit nagenoeg geen voedende stoffen, wel kan het goed water vasthouden en voeding bufferen. Aangezien het een product is dat zelf weinig voedingselementen bevat, is het breed inzetbaar. Op dit moment is veen nog altijd de belangrijkste grondstof voor de productie van potgronden en substraten. Veenwinning vindt verantwoord plaats, waarbij rekening wordt gehouden met natuurwaarde en omgeving (zie belangrijke keurmerken).

Kokos Veel gebruikte kokosproducten zijn afkomstig uit de buitenbast van de kokosnoot. Kokosgruis heeft een goed verwerkbare homogene, fijne structuur met een redelijk hoog luchtgehalte. Het houdt goed water vast, dat in hoge mate beschikbaar is voor gewassen en het heeft een zeer snelle herbevochtiging. Kokosvezel wordt toegepast als component in substraatmengsels en zorgt voor een grovere structuur die er gemakkelijk uit draineert. Het is bij kokos zeer belangrijk dat deze goed is behandeld. Kokosgruis heeft van nature een absorptiecomplex met veelal kalium (K) en stikstof (N) wat voor gebruik wordt uitgewisseld en/of uitgespoeld.

Perliet Perliet is een van oorsprong glasachtig, vulkanisch gesteente dat wordt gemalen, gezeefd en daarna rond ongeveer 1000°C wordt ‘gepoft’. Het is zeer poreus, maar bevat ook een zeker gehalte aangesloten poriën. Perliet kan veel water en lucht bevatten en heeft invloed op de wateropname, die ermee kan worden verbeterd. Perliet vermindert krimp van potgrondmengsels en draagt bij aan een luchtige en stabiele structuur. Perliet wordt vaak toegepast in mengsels voor eb-/vloedteelten.

Invloed potmaten op de samenstellingen

Uiteraard is de grootte van de potmaat van invloed op de in te zetten samenstelling. Over het algemeen geldt de stelregel dat hoe kleiner de potmaat, hoe fijner het substraat, voornamelijk vanwege de verwerking. Echter let op dat het substraat voldoende luchtig is een, kleine pot kan snel te nat worden.

Een voorbeeldsubstraat ten aanzien van een kleine potmaat (9 en 12cm diameter) is; • 25% fijn Zweeds veenmosveen; • 25% fijne veenfractie; • 25% grovere veenfractie; • 25% kokos en perliet. Daar tegenover geldt dat hoe groter de potmaat, hoe grover de structuur van de samenstelling dient te zijn. Watergift geschied bij de grotere potten bij de start zowel van boven als van onder en vanaf de eindfase veelal alleen via onderlangs. De capillaire werking van het substraat is hierbij van groot belang. Een voorbeeldsubstraat ten aanzien van een grote potmaat (14 en 17cm diameter) is : • 25% kokosvezels; • 25% gemiddelde fractie; • 50% grovere veenfractie fractie.

Hörle Torv Zweden (veen).

Wat betekent minder veen voor potanthuriums? Veen vormt de basis voor veel substraatsamenstellingen, maar de laatste jaren is er een verandering in de markt gaande. Het veengebruik staat in Duitsland al langer ter discussie, maar wordt ook in Nederland steeds meer onder een vergrootglas gelegd. De algehele verwachting is dat het veengebruik uiteindelijk zal afnemen. Vanuit de sector is de doelstelling vastgelegd om in 2025, 35% circulaire en hernieuwbare grondstoffen te gebruiken. Een veenarme of veenvrije teelt vergt een andere aanpak van de kweker. Het gebruik van circulaire en hernieuwbare grondstoffen beïnvloedt namelijk de samenstelling en structuur van de potgrond. Hierdoor heeft veenvrij substraat een andere gebruiksaanwijzing dan regulier substraat. Het is vooral een kwestie van leren omgaan met nieuwe materialen en andere combinaties. Grondstoffen die in toenemende mate gebuikt worden naast bijvoorbeeld veen en kokos, zijn boomschors, houtvezel en rijstkaf.

Boomschors(bark) Boomschors is een natuurlijk product dat als afval overblijft bij de houtproductie. Er zijn twee typen boomschors: gecomposteerde boomschors en niet gecomposteerde boomschors. Niet gecomposteerde boomschors is harder en is voornamelijk afkomstig van de Pinus Pinaster. Dit schorstype wordt momenteel het meest gebruikt. Schors wordt in verschillende fracties gebruikt en geeft het substraat stevigheid en verhoogt het percentage lucht, maar legt ook stikstof vast.

Boomschors(bark)

Houtvezel Houtvezel wordt geproduceerd van houtchips, afkomstig van onbewerkt stamhout. Bij de productie worden houtchips onder hoge mechanische druk vervezeld bij een hoge temperatuur. De eigenschappen hangen af van de fijnheid van de houtvezel en meestal wordt de structuur in mengsels meer open. Houtvezel zorgt voor stikstof vastlegging.

Houtvezel

Rijstkaf Rijstkaf is het kaf dat afkomstig is van rijst. De onder Regeling Handelspotgronden (RHP) toegepaste rijstkaf is gesteriliseerd. Door rijstkaf toe te voegen aan substraten neemt het luchtgehalte sterk toe. Rijstkaf is een relatief vers organisch materiaal en legt tijdelijk wat stikstof vast. Rijstkaf is rijk aan silicium.

Rijstkaf

Bufferfunctie Bij de verandering van samenstellingen naar minder veen moet rekening gehouden worden met een minder sterke buffer voor de pH en voeding. Door het hoge absorptiecomplex van veen kan veen pieken en dalen in voeding en pH goed opvangen en elementen absorberen en vrijgeven. Bij andere materialen, zoals houtvezel, boomschors en kokos is de buffer lager. Deze grondstoffen leggen minder elementen vast, waardoor het substraat wat labieler wordt. Om dit op te lossen kan er bijvoorbeeld met compost of klei gewerkt worden, die over een redelijke bufferfunctie beschikken. Naast de bufferfunctie dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat sommige grondstoffen vaak al van nature voedingselementen bevatten. Ter illustratie: bark bevat van nature mangaan en compost wat meer kalium. Bij het gebruik van deze grondstoffen dient men dus rekening te houden met de kans dat deze elementen vrij kunnen komen.

Stikstof-immobilisatie Stikstof­immobilisatie van substraat speelt ook een grote rol bij de omschakeling naar substraten met minder veen. Bij het gebruik van bijvoorbeeld houtvezel of rijstkaf moet ingespeeld worden op stikstof­immobilisatie. Houtvezel en rijstkaf zijn namelijk relatief jonge, organische producten, die onderhevig zijn aan afbraak door bacteriën, waarbij stikstof nodig is. Aangezien dit niet het geval is bij veenmengsels, vergt dit een andere werkwijze. De stikstofvastlegging is een korte termijn effect, dat op te vangen is door compensatie in de bemesting.

Belangrijke keurmerken RHP is een onafhankelijke keurmerkorganisatie voor grondstoffen en substraten. Het principe betreft ketenbewaking van grondstoffenlocatie tot aan de aflevering. Het RHP keurmerk omvat onder andere chemische, fysische en fytosanitaire controle van grondstoffen en eindproducten. Hierbij moet gedacht worden aan controle op bijvoorbeeld zware metalen, humaan pathogenen, onkruid maar ook de specificatie en vervolgens controle van chemische en fysische eigenschappen. Substraten met een RHP keurmerk zijn bij verantwoord gebruik veilig. (www.rhp.nl) De door Anthura gebruikte substraten, ontwikkeld en geleverd door Lensli, staan voor kwaliteit en voldoen aan de strenge RHP-normen en eisen. RPP (Responsibly Produced Peat) staat voor de verantwoorde winning van deze voor tuinbouw belangrijke grondstof, met drie specifieke doelen: geen veenproductie in (veen)gebieden met een hoge natuurwaarde, een voorkeur voor restauratie van het veengebied na de productie en lange termijn beschikbaarheid van veen als grondstof voor de tuinbouwsector. (www. responsiblyproducedpeat.org)

Fysische aspecten Naast chemische aspecten, zoals bufferwerking en de stikstofimmobilisatie, is het goed om ook de fysische aspecten onder de loep te nemen. Deze zijn van groot belang voor bijvoorbeeld de watergeefstrategie en het oppotten.

Uitstekende beworteling

Denk aan parameters als dichtheid, oppotfactor, stabiliteit, poriën, water, lucht en de snelheid van wateropname. Bij een verandering van samenstelling is het belangrijk om te kijken naar de fysische eigenschappen van de bestaande situatie en die van de nieuwe. Hoe groter de verschillen, hoe meer er bij gebruik op gestuurd moet worden. Poriën kunnen gevuld zijn met water of lucht. De gebruikte grondstoffen en de structuur van het substraat (grof/fijn) bepalen de grootte van de poriën. Fijne poriën houden water langer vast dan grovere poriën. Een fijn substraat heeft bij nattere omstandigheden relatief gezien minder luchtgevulde poriën dan een grover substraat. Waarbij grof trouwens niet betekent dat een substraat bestaat uit grote stukken. Voor de meeste anthuriumteelten geldt een luchtpercentage tussen de 15 en 25%. Door deze bandbreedte aan te houden, blijven de wortels over voldoende zuurstof beschikken, ook onder natte omstandigheden en in verschillende teeltsystemen. Snelheid wateropname Uiteraard is ook de snelheid van wateropname en de verdeling van water van belang bij de samenstelling van een substraat. Of dit snel of langzaam dient te zijn, hangt af van de teelt en de wensen van de klant. Aangezien veen van nature goed water opneemt en vasthoudt, dient er goed naar de eigenschappen van alternatieve grondstoffen gekeken te worden wanneer samenstellingen veranderen en het veenpercentage zakt.

Oppotfactor De oppotfactor zegt iets over de samendrukbaarheid. Deze parameter is zeer belangrijk bij het oppotten. Wanneer een substraat makkelijk samendrukbaar is, bestaat de kans dat door aandrukken bij oppotten de eigenschappen veranderen. Vaster aandrukken betekent fijnere poriën, nattere omstandigheden en minder zuurstof. Een juiste samenstelling kan bijdragen aan homogener oppotten en dus gelijkere omstandigheden in de pot te creëren. Een bijkomend voordeel hiervan is dat onnodig substraatverbruik voorkomen wordt.

Mooie doorworteling.

Omschakeling naar minder veen Het gebruik van meer circulaire en hernieuwbare grondstoffen gaat toenemen en verantwoord gewonnen veen wordt gerichter toegepast. (RPP keurmerk) Zoals eerder toegelicht, beschikken de meeste alternatieven voor veen over een minder grote vochtbuffer, waardoor ze minder goed water opnemen en vasthouden. Ook de chemische aspecten verdienen de nodige aandacht. Een aangepaste basisbemesting met iets meer stikstof is soms nodig. Het is belangrijk om bij de overgang naar veenarme of veenvrije potgrond vanuit de eigenschappen van het substraat en de wensen van de plant te redeneren. De eigenschappen en gebruiksaanwijzing van een nieuw substraat moeten waar mogelijk vergelijkbaar zijn met die van het oude. Een substraatproducent bouwt als het ware een huis en de kweker bouwt het af en neemt uiteindelijk het stuur over. De interactie tussen de pH en bemesting zal voor de kweker directer worden, waarbij korter op de bal gespeeld dient te worden. One size fits all bestaat niet, ook niet als je minder veen gaat gebruiken. Op dit moment zijn er ook voor anthuriumteelten al goede basissamenstellingen met minder tot geen veen beschikbaar, die het goed doen en van waaruit een kweker verder kan werken. Dit artikel is tot stand gekomen met de hulp van Wim Veninga (Accountmanager) en Ronald Keijzer (Hoofd Kwaliteit) van Lensli Substrates, evenals RHP.

Zelf substraat samenstellen Het verdient de voorkeur om substraat voor uw teelt altijd van gespecialiseerde leveranciers te betrekken zodat uw anthuriumplanten zo optimaal mogelijk kunnen groeien en onze rassen volledig tot z’n recht komen. Besluit u toch zelf een substraat samen te stellen zorg er dan in ieder geval voor dat bij gebruik van kokos deze voldoende wordt gespoeld en gebufferd. Vooral het hoge zoutgehalte (NaCl) en de slechte buffering zijn aandachtspunten. Vindt het product zijn oorsprong dicht bij de kust, dan bevat het veel natrium. De voorkeur verdient het als het product vanuit het binnenland kan worden betrokken. De kokosnoot dient minimaal 1 jaar oud te zijn voordat ze kan worden gebruikt als substraat.

Wortelgroei op zelf samengesteld substraat.

Gele randen en bladpunten door een hoog zoutgehalte.

Stompe wortelpunten door een hoog zoutgehalte.

Spoelen van kokos.

Spoelen Er zijn veelal minimaal 3 spoelbeurten nodig om het materiaal van de overtollige zouten te ontdoen. Het spoelen moet plaatsvinden met water met een zo laag mogelijke EC. De eerste 2 spoelrondes moet er minimaal voor 12 uur gespoeld worden. Na deze ronde moet de EC gemeten worden. Als deze nog te hoog is dient er nogmaals met schoonwater gespoeld te worden. De laatste spoelbeurt moet met calciumnitraat CaNO₃ (15,5% N en 26,5% CaO, 1 gram per liter, EC ± 1,2) gedaan worden. Hierna moet er 2 kg. Dolokal (± 90%CaCO₃) per m3 substraat toegevoegd worden.